Digitaal dagboek

Lees hier onze spannede verhalen

Onze Helden aan den IJzer

by Jacqueline Boelens on 03/12/2018

Uit: Onze Helden aan den IJzer, geschreven door Guillaume de Zeine, Redacteur van de krant Het Burgerwelzijn, na de Eerste Wereldoorlog. De tekst is lichtjes aangepast naar een meer hedendaags taalgebruik. In dit verslag wordt de toekenning van de Leopoldsorde aan het 7de linieregiment beschreven (te Veurne).

Hier verlenen wij het woord aan een ooggetuige; een voorname Franse schrijver. Hij was aanwezig bij de roerende plechtigheid, en beschreef ze in het volgende welsprekende verhaal.

De bevallige Vlaamse stad -luchtig en net, met haar huizen in frisse en heldere kleuren, met haar brede en schoongewassen straten- is vol rumoer. Aan alle kruispunten staan gendarmen te voet en te paard. Op de voetpaden klinkt het getrappel van de menigte inwoners en de vluchtelingen die zijn toegestroomd uit alle richtingen. Ze komen van achter de vuurlinie, uit de hel van beschoten, verbrande en verwoeste steden, die zich uitstrekt over twee derden van het verminkte België.

Naar de Grote Markt, vierkant als een manoeuvreplein en helemaal omringd met oude schilderachtige huizen, trekken troepen voetvolk op in goede orde, met de losse stap van diegenen die aan het front zijn geweest. Hun uniform -een vreemde tegenstelling- is dit van het Duitse leger in 1870: zwarte kapotjas, grijze broek, zwarte muts met rode band. Men zou zeggen dat het soldaten zijn, geschilderd door de Neuville en Detaille, op de slagvelden van Montretout en Champigny.

Hun sombere massa pakt zich bijeen en stelt zich op vóór het stadhuis.
Want de Koning is daar, Koning Albert, die heel zijn bloedend volk bemint en eert en die -zegt men ons- het vaandel van het 7de linieregiment zal decoreren.

Na de ontruiming van Antwerpen was het Belgische leger onvermijdelijk uiteengeschokt. Stukken en brokken dwaalden op de wegen naar Frankrijk af. Regimenten en legercomponenten, allen door elkaar. De onvermoeibare wilskracht van de Koning kwam er spoedig toe de maatregelen te bevelen die de herinrichting van het leger mogelijk maakten. Verzamel-en groepeerpunten werden aangeduid; en ’t was vanuit Calais dat het 7de linieregiment -hervormd- te Veurne aankwam om de opperste beloning te ontvangen voor zijn voorbeeldig gedrag en zijn geduchte strijdvaardigheid.

Van bij de regimenten in ruststand bemerkte men het geweldige gedruis van de toegestroomde menigte. Samengedromd langs de winkels, verdrongen tegen de huisgevels, opgestapeld aan de vensters, en in trossen bijeen op de daken.

In de verte is het zware en voortdurende gebrom hoorbaar van de grote kanonnen van Diksmuide en Nieuwpoort. Opeens weerklinkt het klokkenspel op de oude toren, met zijn klare en vreugdevolle tonen, zoals in de vreedzame dagen der vaderlandse feesten.

Bij de laatste slag van drie uur komt de gestalte van de Koning langzaam te voorschijn op de trap van het stadhuis. Trompetgeschal, korte bevelen en de troepen presenteren de wapens. De Koning begeeft zich naar het vaandel. Hij stapt voorbij de Franse en Engelse officieren, die op één rij voor hem staan, beneden de trap. Gevolgd door een officier van de Gidsen, richt hij zich naar de troepen en de menigte. Zeer bleek en mager in zijn zwarte uniform. Geen goud, geen versierselen, geen eretekens, geen hofdegen. Eén enkel kruis op zijn borst: de Franse krijgsmedaille. Aan zijn zijde, een ruitersabel; het wapen van een krijgsman.,

En zie; opeens valt er een stilte, een wonderlijke stilte. De Koning, strak rechtop met het gezicht naar het vaandel gericht -dat neerbuigt- spreekt. Hij spreekt tot zijn leger. Hij spreekt tot zijn, volk. Zijn krachtige stem, enigszins keelachtig en goed gearticuleerd, bereikt iedereen. Hij drukt en hamert op de woorden: “Eer, strijd, afschuwelijke schending van het grondgebied, weerstand tot het uiterste, heilige vèrdediging van de vaderlandse grond.”

Dan grijpt hij het vaandel, hecht het kruis aan de stok, en met een sidderende hand trekt hij het vaandel naar zich toe en kust het.

Het vaandel richt zich op. De Koning brengt de militaire groet. De muziekkapel speelt de Brabançonne. Alle hoofden ontbloten zich; vrouwen buigen diep zoals in de consecratie.

Daarna stelt de Koning zich alleen op langs het voetpad; de Franse, Engelse en Belgische officieren achter hem langs de huizen. En het 7de linieregiment defileert.

De Muziek speelt de mars van Sambre et Meuse. Eerst dof, als een huldezang voor de doden die de overrompelde grond hebben gewijd. Dan schetterend in een jubelfanfare, als een trillende oproep voor de weerwraak van de uiteindelijke overwinning.

Wanneer de laatste soldaten zijn voorbij getrokken, volgt de indrukwekkende groep ambulanciers en krijgsaalmoezeniers. Als het laatste instrument zwijgt, wanneer niets meer in de lucht weergalmt dan de verdoofde slagen van het vijandelijke kanon, ontstaat er in het volk een onverwachte, eenparige, prachtige beweging. Mannen, vrouwen, kinderen -samen een verminkte, geruïneerde, verjaagde bevolking; ellendige wezens zonder land, zonder woning, zonder brood- keren zich naar de Koning. Hun Koning, levende vertegenwoordiger van het vaderland. Hun bleke gezichten klaren op, hun gelaatstrekken ontspannen, hun handen wringen zich, en er ontstaat een geschreeuw zonder einde… geweldig, prachtig, ongehoord: “Leve de Koning! Leve België!” Het doet het Marktplein daveren zodat het door de straten galmt. Het stijgt ten hemel als heilige getuigenis van een edel volk dat niet wil vergaan, en wiens Koning zich de vurige verdediger verklaart van het laatste stukje grondgebied dan nog onbezoedeld is gebleven door de vijand.

En ik, die de titanenstrijd aan de IJzer heb bijgewoond. Ik, die door de verwoeste steden, over de omwoelde slagvelden ben getrokken. Ik, die de wrede afschuwelijkheden evenals; de verheven schoonheden van de oorlog heb gezien. Ik, die taferelen heb aanschouwd die in staat zijn om de ziel te verstalen en de gevoeligheid uit te bannen. Ik stort hete tranen, zoals een kind…

Jacqueline BoelensOnze Helden aan den IJzer